PXL eXperts is hét digitale, multidisciplinaire expertisemagazine van PXL-Research en PXL-Congress. Het wordt gevoed door onderzoekers en experts van Hogeschool PXL, de hogeschool met het netwerk.

Polsslag (7): Roald Nelissen & Maggie De Block

Maggie De Block, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en Roald Nelissen, departementshoofd PXL-Healthcare. — by Raymond Polus
Maggie De Block, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en Roald Nelissen, departementshoofd PXL-Healthcare. — by Raymond Polus

In onze reeks Polsslag regelen we een afspraak tussen een spraakmakend politicus en een PXL eXpert ter zake. Samen wisselen ze ideeën uit over de maatschappij van vandaag en morgen. Deel 7: Roald Nelissen (PXL-Healthcare) en Maggie De Block (Open VLD), over een nieuw wettelijk kader voor de gezondheidsberoepen.

Op dinsdag 23 mei bracht Maggie De Block (Open VLD), federaal minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, een bezoek aan Hogeschool PXL, voor een ontbijtsessie met PXL-studenten en -docenten. Roald Nelissen, departementshoofd PXL-Healthcare wist haar te strikken voor een interview.

Roald Nelissen: Mevrouw de minister, in november 2015 werd door Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits het startschot gegeven voor de uitbouw van een vernieuwd 4-jarig curriculum voor de bacheloropleiding verpleegkunde. Daarnaast dreigt een rijk aanbod aan specifieke vervolgopleidingen/banaba’s in hun huidige format te verdwijnen. Hoe kan de kwaliteit van zorg op de werkvloer gegarandeerd blijven bij dit mogelijke expertiseverlies?

Maggie De Block: Op zich is onderwijs mijn bevoegdheid niet, dus voor vragen over het verdwijnen van specifieke vervolgopleidingen en banaba’s in Vlaanderen moet u eigenlijk bij collega Crevits zijn. Wel is het zo dat wij op federaal niveau de erkenningscriteria bepalen voor gezondheidszorgbeoefenaars – waaronder verpleegkundigen – en dat die criteria een kwaliteitsvolle zorg voor de patiënt garanderen, nu en in de toekomst. Onze criteria stemmen overeen met die van Europa en zijn voor verpleegkundigen vastgelegd in de WUG (de wet over de uitoefening van de gezondheidsberoepen (2015), die een oud koninklijk besuit uit 1967 vervangt n.v.d.r.). Voor bijzondere beroepstitels – bijvoorbeeld verpleegkundigen in de spoedgevallenzorg – en voor bijzondere beroepsbewaamheden - bijvoorbeeld in de geriatrie, diabetologie of psychiatrie - zijn de erkenningscriteria vastgelegd in ministeriële besluiten. Voor alle duidelijkheid: die criteria blijven dus ongewijzigd. De patiënt behoudt de garantie dat zorgverleners kwaliteit leveren.

Hyperspecialisatie werkt beperkend. Verpleegkundigen moeten zo breed mogelijk inzetbaar zijn.

Maar om toch even in te gaan op uw vraag over specifieke vervolgopleidingen: zorgvraag en –aanbod zijn continu in verandering en uiteraard heeft dat impact op het beroep van een verpleegkundige. Daarom onderzoek ik in het kader van de WUG of we het systeem van specialisaties voor verpleegkundigen kunnen hervormen tot een coherent systeem dat enerzijds kwaliteitsgaranties biedt en dat anderzijds de wildgroei aan bijzondere beroepstitels en bijzondere beroepsbekwaamheden een halt toeroept. Hyperspecialisatie werkt beperkend. Ik wil daarom graag een systeem waarbij verpleegkundigen zo breed mogelijk inzetbaar zijn. Als ze zich verder willen specialiseren, dan kan dat volgens mij ook beter met een portfolio dan via bijkomende erkenningen. Nu, voor die hervorming moeten we onze tijd nemen, in overleg met alle betrokken actoren. Het laatste woord daarover is zeker nog niet gezegd.

Minister De Block aan het woord tijdens haar PXL-ontbijtsessie op 23 mei 2017. — by Raymond Polus
Minister De Block aan het woord tijdens haar PXL-ontbijtsessie op 23 mei 2017. — by Raymond Polus

Roald Nelissen: Hoe kan de functiedifferentiatie op de werkvloer duidelijk gevisualiseerd worden met verpleegkundigen vanuit een driejarige opleiding niveau 5 en verpleegkundigen vanuit een vierjarige opleiding niveau 6? Bestaat het gevaar niet dat we ons als vierjarige opleiding verpleegkunde uit de markt prijzen door de langere studieduur en ook minder aantrekkelijk worden voor zij-instromers?

Maggie De Block: Hier wil ik graag expliciet verwijzen naar iets wat ik daarnet heb toegelicht tijdens mijn speech, nl. de licence to practise. Ik denk dat daar een belangrijke sleutel ligt. De bedoeling is dat zorgverleners in de toekomst over een licence to practise (LTP) beschikken, in plaats van het statische visum zoals dat nu bestaat. Zo’n LTP moet je opvatten als een dynamisch visum, met een professionele portfolio waarmee zorgverleners hun competenties, kennis en expertise kunnen aantonen, dus ook zorgverleners uit een vierjarige opleiding niveau 6. Zo’n portfolio zou werkgevers in staat moeten stellen om verpleegkundigen en andere zorgprofessionals op het meest geschikte niveau in te zetten.

Roald Nelissen: Een ander heikel punt misschien is de patient/nurse-ratio. In België is er één verpleegkundige per 11 patiënten, het EU-gemiddelde is 1 verpleegkundige per 8 patiënten. Wat is uw visie daaromtrent?

Maggie De Block: Dé uitdaging in alle grote hervormingen die we momenteel doorvoeren in onze gezondheidszorg is kwaliteitsvolle, betaalbare zorg aanbieden aan de patiënt, en dat op een duurzame manier. De rol van de verpleegkundigen is daarbij een belangrijk onderdeel.

Dankzij verschillende sociale akkoorden en bijkomende fondsen zoals de Sociale Maribel is de bestaffing in ons land de voorbije decennia al toegenomen, maar – toegegeven - dat vraagt blijvende inspanningen.

Ook onze hervorming van het ziekenhuislandschap is belangrijk in die context. We proberen echt dagopnames en ambulante zorg aan te moedigen daar waar hospitalisatie medisch niet noodzakelijk is. We proberen mensen bij ziekenhuisopname niet langer dan nodig in het ziekenhuis te laten verblijven, bijvoorbeeld na een bevalling. Door ziekenhuisnetwerken te creëren hebben we minder ziekenhuisbedden nodig en komen er middelen vrij om bijvoorbeeld meer verpleegkundigen in te zetten. Maar het kan uiteraard altijd nog beter.

Roald Nelissen: Welke rol ziet u weggelegd voor de ergotherapeut met het oog op de re-integratie van langdurig zieke personen op de werkvloer?

Maggie De Block: Belangrijk bij langdurige arbeidsongeschiktheid is dat we zo snel mogelijk samenzitten met de persoon in kwestie om te bekijken of en zo ja, hoe hij het werk kan hervatten. Dat is belangrijk voor zijn welzijn, zijn sociale contacten, zijn kansen op succesvolle re-integratie, zijn financiële draagkracht… Dat is een element van HRM-management.

Verder is het aan de arts om binnen een re-integratietraject de kennis en expertise van een ergotherapeut in te roepen als hij dat wenselijk acht. Ergotherapeuten kunnen een waardevolle bijdrage leveren, net als heel wat andere paramedische beroepen. Maar wel steeds in het kader van een overkoepelend revalidatieplan voor de patiënt, opgemaakt door een multidisciplinair team onder leiding van een arts.

Ergotherapeuten zijn goed geplaatst om patiënten mee te begeleiden naar aangepast werk. Ze kunnen het functioneren van de persoon onderzoeken en mee bepalen wat iemand nog kan en wat niet. Belangrijk daarbij is, denk ik, vooral een positieve benadering: de mogelijkheden van een patiënt moeten centraal staan, niet zijn beperkingen.

Er zijn ook heel wat ergotherapeuten aan de slag in tal van Riziv-conventies binnen de 13 GGZ-netwerken in Vlaanderen (netwerken Geestelijke Gezondheidszorg, n.v.d.r.). Daar staan ze mee in voor de resocialisatie, rehabilitatie en re-integratie van langdurig arbeidsongeschikte personen.

Ik verwijs trouwens ook graag naar een good practice hier in Limburg: het project InWerkCoach van CM Limburg. Da’s een project waarin ergotherapeuten proactief contact opnemen met arbeidsongeschikte mensen om hen te begeleiden naar aangepast werk, op een doelgerichte, systematische manier.

Roald Nelissen: Hoe ziet u de terugbetaling van prestaties door de ergotherapeut als paramedicus bij kinderen met ontwikkelingsproblemen?

Maggie De Block: Zoals u weet, bestaat daar geen specifieke nomenclatuur voor. Maar de prestaties van ergotherapeuten worden wel op andere manieren vergoed, bijvoorbeeld via de algemene financiering van het personeelsbestand van heel wat revalidatieconventies (Riziv-budget). Daarnaast bestaan er ook centra voor ontwikkelingsstoornissen (COS), gefinancierd door Vlaanderen. Dat zijn multidisciplinaire centra waarbij gespecialiseerde artsen, psychologen of orthopedagogen, kinesitherapeuten, ergotherapeuten en maatschappelijk werkers samenwerken om na te gaan of een kindje een ontwikkelingsstoornis heeft en zo ja, welke ontwikkelingsstoornis. Het multidisciplinaire team geeft vervolgens advies aan de ouders en begeleidt hen indien nodig naar het meest geschikte zorgaanbod.

Minister De Block en PXL-departementshoofd Roald Nelissen. — by Raymond Polus
Minister De Block en PXL-departementshoofd Roald Nelissen. — by Raymond Polus

Roald Nelissen: Welke rol ziet u voor de vroedvrouw in het hertekende zorglandschap? Bijvoorbeeld op een afdeling zoals neonatologie?

Maggie De Block: De huidige normen voor tewerkstelling op een dienst neonatologie zijn duidelijk: ofwel verpleegkundigen met een bijzondere beroepstitel neonatologie, ofwel vroedvrouwen met bijzondere deskundigheid. Die normen vallen onder de bevoegdheid van mijn collega Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Volksgezondheid.

Volgens die normen kunnen vroedvrouwen dus perfect aan de slag op een afdeling neonatologie. En opnieuw ligt daar een belangrijke sleutel bij de licence to practise. Via hun portfolio zullen vroedvrouwen in de toekomst hun bijzondere competenties kunnen aantonen. Dankzij hun kennis en expertise is de aanwezigheid van vroedvrouwen voor een dienst neonatologie sowieso ook een verrijking, als aanvulling op de kennis en expertise van verpleegkundigen.

Een van de uitdagingen voor vroedvrouwen in de toekomst wordt de verschuiving van intra- naar extramurale zorg na bevalling. Momenteel loopt daar een pilootproject rond, ‘Bevallen met verkort ziekenhuisverblijf’. Vroedvrouwen kunnen een belangrijke rol spelen bij de begeleiding van kersverse moeders en hun baby’s, ook en vooral in die extramurale zorg.

Roald Nelissen: Een specifiek slotvraagje. Bestaat binnen volksgezondheid de mogelijkheid om het beroep van creatief therapeut op te nemen in de loonschaal 1.55 (op het niveau van ergotherapeut) en in de subsidiëring van de voorzieningen?

Maggie De Block: Welke functies er opgenomen worden in de functieclassificatie IFIC, wordt bepaald door de sociale partners binnen PC 330 (paritair comité 330, n.v.d.r.). Sociale partners bepalen ook het barema en de categorie. Financiering van nieuwe functies buiten het IFIC-budget en buiten de andere bestaande financieringsvormen (Riziv en Budget van Financiële Middelen) is niet aan de orde. Bij creatieve therapie spreken we over een behandelvorm uitgevoerd door een erkend gezondheidszorgberoep, bijvoorbeeld een ergotherapeut. De creatieve therapeut in kwestie moet dan voldoen aan de erkenningscriteria voor dat specifieke gezondheidszorgberoep. Het is niet dus de bedoeling om hier een aparte paramedische titel voor te creëren. Creatieve therapeuten zitten in de categorie van het gezondheidszorgberoep in kwestie, met hetzelfde barema en loon.

Roald Nelissen: Bedankt voor uw tijd en heldere antwoorden, mevrouw de minister.

Een kort audioverslag van de lezing van minister De Block, van de hand van Lars Rondags (PXL-student 2pba journalistiek) vind je op SoundCloud.